De nieuwste ontwikkelingen op het gebied van bestrijdingsmiddelen wetgeving en wetenschap

– Het besluit voor het verder aan banden leggen van onkruidverdelgers.

– Informatie over waarom PAN Nederland tegen verlenging van het bestrijdingsmiddel Mancozeb is.

Het schimmelbestrijdingsmiddel Mancozeb

De feiten

 

1. Inleiding
Het fungicide Mancozeb maakt deel uit van een groep chemicaliën genaamd Dithiocarbamates (DTC’s) die ook Zineb, Maneb, Metiram, Thiram en Propineb omvat. Mancozeb is een combinatie van Zineb en Maneb. Zineb werd nooit goedgekeurd in de EU (2001), Propineb en Thiram werden verboden in 2018, Maneb in 2017, terwijl Metiram nog steeds op de markt is. Mancozeb is sinds 1961 op de markt geregistreerd. DTC’s zijn contactfungiciden en reageren met aminozuren en enzymen van schimmels op de bladeren van de plant. DTC’s worden gebruikt tegen een grote verscheidenheid aan schimmels op veel gewassen zoals appels, peren, druiven, aardappelen, tarwe, uien en bloembollen. Men spuit 8 – 10 keer per seizoen met Mancozeb.

2. Toxiciteit
• ETU
Een belangrijke toxicologische zorg van DTC’s is de gemeenschappelijke metaboliet (en industriële verontreiniging) ETU, ethyleenethioureum. Het kan de ontwikkeling van een struma veroorzaken, een aandoening waarbij de schildklier wordt vergroot. ETU veroorzaakt geboorteafwijkingen en kanker bij proefdieren. ETU is door US-EPA geclassificeerd als een waarschijnlijk carcinogeen voor de mens.
• EFSA
Hoewel Mancozeb al decennia op de markt is, heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in 2019 pas voor het eerst een advies over de stof uitgebracht. Blootstelling aan Mancozeb veroorzaakt bij hoge dosis schildkliertoxiciteit en schildkliertumoren. Neurotoxiciteit en misvormingen bij de nakomelingen zijn ook waargenomen bij dierproeven. EFSA heeft zelfs zes (!) “Kritieke punten van zorg” geïdentificeerd, d.w.z. zes redenen waarom Mancozeb niet door de EU zou moeten worden goedgekeurd. Het is een bewezen hormoonverstorend pesticide, het is geclassificeerd als giftig voor de voortplanting (zie hieronder RAC-beoordeling), het brengt hoge risico’s met zich mee voor vogels en zoogdieren, en geleedpotigen die niet tot de doelsoorten behoren en bodemmacro-organismen. Men ziet zelden zoveel redenen voor een verbod op andere bestrijdingsmiddelen die op de markt zijn. De conclusie is dat alleen al het hormoonverstorend effect van het bestrijdingsmiddel voldoende is voor een verbod (Verordening 1107/2009, Bijlage II, 3.6.5), aangezien deze conclusie zal betekenen dat elk contact met mensen verboden is, wat doorgaans resulteert in een verbod. Een deel van het EFSA-advies is zwart gemaakt omdat de sector de EFSA’s werk tracht te vertragen en een deel van de tekst vertrouwelijk moet worden behandeld, en waar de industrie inmiddels voor naar de rechter is gestapt. Dit toont aan dat de industrie (UPL, Indofil) een grote campagne is begonnen om een ​​verbod te voorkomen of op zijn minst uit te stellen.
• ECHA / RAC
Het Comité voor risicobeoordeling (RAC) van het Europees Agentschap voor chemische stoffen heeft het mandaat om te beslissen over de indeling van chemische stoffen, inclusief pesticiden, voor geharmoniseerde indeling en etikettering. De RAC-commissie besloot Mancozeb een classificatie “toxisch voor reproductiecategorie 1B” (R1B) te geven vanwege de ernst van hersenafwijkingen die bij de nakomelingen worden gezien, veroorzaakt door ETU. De conclusie dat het een geclassificeerd reprotoxisch bestrijdingsmiddel is, is opnieuw op zichzelf staand voldoende voor een verbod (Verordening 1107/2009, Bijlage II, 3.6.4) omdat deze classificatie betekent dat elk contact met mensen verboden is, wat vrijwel gelijk is aan een verbod.
• Onafhankelijke literatuur
Aangezien Mancozeb een oud bestrijdingsmiddel is, zijn er veel onafhankelijke (academische) studies gepubliceerd. De EU-Commissie en de EFSA negeren deze onderzoeken om onjuiste redenen en plaatsen de industriestudies (een groot belangenconflict trouwens) op een platform. De Ramazinni-studie die hieronder wordt genoemd, bewijst de carcinogeniteitsproblemen, tegelijkertijd documenteert een groot aantal studies de problemen met de schildklier bij verschillende proefdieren. Omdat DTC’s neurotoxicanten zijn, wordt in verschillende onderzoeken een verband gelegd met Parkinson.

3. Mancozeb in ons voedsel
Het probleem met Mancozeb is dat er geen detectiemethode voor bestaat. De hele groep DTC’s wordt daarom geanalyseerd door een substituut, de CS2-verbinding, een veel voorkomend afbraakproduct. Een extra probleem is dat CS2 ook een natuurlijke achtergrondstof kan zijn. Hoewel de meeste DTC’s zijn verboden, moet er rekening mee worden gehouden dat deze pesticiden in geïmporteerd voedsel voorkomen. Dit kan het geval zijn bij internationaal erkende MRL’s (zogenaamde CODEX CXL’s) of als er een ‘invoertolerantie’ is op verzoek van de industrie via een lidstaat. Het blijft dus moeilijk te achterhalen welke DTC wordt geanalyseerd bij de monitoring van bestrijdingsmiddelenresiduen. Tegen deze achtergrond was in de laatst gepubliceerde EFSA-monitor over residuen van bestrijdingsmiddelen 19,2% van alle op DTC’s geanalyseerde monsters positief (> LOQ). Bij peren had 35,5% van de monsters DTC-residuen; de “acute referentiedosis” bij peren werd zelfs overschreden. Dit was ook het geval voor sinaasappels, bonen en kiwi’s. Voor chronische toxiciteit (ADI), in de veronderstelling dat alleen een specifieke DTC aanwezig was (in dit geval Mancozeb), ‘vulde’ Mancozeb 12,9% van de ADI op (bovengrensscenario). Voedselproducten met aanzienlijke hoeveelheden DTC’s zijn bonen, wortels, kiwi, sinaasappels, peren, aardappelen, rijst en rogge. De zeer giftige metaboliet ETU wordt niet geanalyseerd door de lidstaten en de EFSA.

4. Gebruik van Mancozeb en alternatieven
Mancozeb wordt in veel gewassen gebruikt tegen verschillende soorten schimmels. De meest bekende is Phytopthora-infestant in aardappelen (degene die in Ierland in de 19e eeuw hongersnood veroorzaakte). Het is ook actief tegen Alternaria solani (aardappelen), Cercospora (bieten), Meeldauw, Botrytis (bloembollen) enz. Door resistentie tegen fungiciden vormen schimmels een groot probleem in de landbouw. Veel fungiciden worden tegelijkertijd in een cocktail of na elkaar aangebracht. Voorbeelden van dergelijke pesticiden, die naast Mancozeb worden toegepast, zijn Fluazinam, Zoxamide, Metalaxyl, Azoxystrobin, enz. Mancozeb heeft minder resistentie problemen gezien zijn multi-werkingsmechanisme / breed spectrum. Een vergelijkbaar, eveneens decennialang gebruikt fungicide, Chlorothalonil, is onlangs verboden omdat het carcinogeen bleek te zijn en het is waarschijnlijker dat boeren zullen protesteren tegen het verbod op een ander fungicide, dit keer Mancozeb. Het is het meest gebruikte bestrijdingsmiddelen (in Nederland bijvoorbeeld zo’n 20% van het totale volume aan gebruikte bestrijdingsmiddelen). Het enige haalbare en duurzaam alternatief voor Mancozeb (en andere fungiciden) is het gebruik van resistente gewasvariëteiten. Voor aardappelen zijn er bijvoorbeeld tientallen variëteiten verkrijgbaar met een andere resistentie dan Phytopthora. Het is onnodig te vermelden dat biologische landbouw de rassen gebruikt met de beste resistentie (en vroege oogst om Phytopthora te vermijden). Deze variëteit in gewasresistentie geldt voor alle gewassen. De reden waarom boeren niet voor het best resistente ras kiezen, is de opbrengst. Voorlopig kiezen ze voor de hoogste opbrengst, die doorgaans wordt geproduceerd door gevoelige rassen. Andere landbouwpraktijken zoals plantafstand of het kiezen van winderige velden zijn ook nuttig om schimmelproblemen te voorkomen. Voor sommige schimmels zijn niet-chemische alternatieven voor biocontrole beschikbaar, zoals Trichoderma.

5. Opmerkingen tav. de regelgeving
Mancozeb is al decennia een controversieel bestrijdingsmiddel. Het gerenommeerde Ramazzini-instituut publiceerde in 2002 een onderzoek bij ratten, waarin werd geconcludeerd dat “Mancozeb een toename veroorzaakte van (1) totale kwaadaardige tumoren, (2) kwaadaardige borsttumoren, (3) carcinomen van de zymbal en de gehoorgang, (4) hepatocarcinomen, ( 5) kwaadaardige tumoren van de alvleesklier, (6) kwaadaardige tumoren van de schildklier, (7) osteosarcomen van de botten van het hoofd en (8) hemolymforeticulaire neoplasieën. Op basis van deze gegevens moet Mancozeb worden beschouwd als een multipotent carcinogeen middel ”. Helaas heeft de EU in het verleden geen rekening gehouden met onafhankelijke literatuur vanwege haar onwetenschappelijk beleid om voorrang te geven aan GLP- studies (studies uitgevoerd onder “Good Laboratory Practice” -principes) met door de industrie gefinancierde studies en het werk van onafhankelijke academici te negeren. In 2008 werd Mancozeb in Zweden op een “te verbieden” lijst geplaatst vanwege de reprotoxische en hormoonontregelende effecten. De carcinogeniteit van ETU wordt ook al jaren besproken en is nu algemeen bekend.
In de EU was het beleid vóór Verordening 1107/2009 altijd om een ​​”veilig niveau” voor pesticiden af ​​te leiden. Kankers en effecten op de ontwikkeling werden waargenomen in studies, maar werden meestal beschouwd als “alleen” op hoge niveaus, ook al werden er geen of zeer weinig langdurige lage-dosis-experimenten met chronische blootstelling uitgevoerd om deze veronderstelling te bevestigen. De industrie heeft ook bedenkelijke beweringen gedaan en sommige experimentele resultaten zijn twijfelachtig. Desalniettemin accepteerde de EU in 2002 de gegevens van de aanvragers van Mancozeb en verlaagde ze alleen de referentiewaarden vanwege de effecten die werden gezien bij een “hoge dosis”. Op deze manier Mancozeb kreeg een goedkeuring in 2006 en werd veel gebruikt in Europa (alle EU-lidstaten). Mancozeb had vóór 2016 (normale periode van tien jaar) opnieuw moeten worden beoordeeld, maar de Commissie heeft besloten de goedkeuring te verlengen vanwege een beweerde hoge werkdruk. De laatste verlenging in 2019 trok de aandacht van het EU-Parlement en de plenaire vergadering van het EP besloot bezwaar te maken tegen de verlenging, vooral omdat Mancozeb een geclassificeerd reprotoxine is (het EU-beleid is gewijzigd met Verordening 1107/2009 in een verbod op R1-geclassificeerde reprotoxinen). Nu is het eindelijk tijd voor Mancozeb en zal het bestrijdingsmiddel voor het eerst worden besproken in de Standing Committee, en een gekwalificeerde meerderheid van de stemmen van de lidstaten (QMV, ongeveer 65%) is nodig om een ​​verbod te krijgen dat wordt aangenomen door de Europese Unie. De industrie zal ongetwijfeld op elk niveau vechten om een ​​verbod te vermijden of een afwijking of vertraging op zijn minst te krijgen en de feiten in twijfel te trekken. Ze zullen waarschijnlijk boeren betrekken bij het lobbyen voor hun producten en ze kunnen naar de rechter stappen. Om dit in evenwicht te brengen, zijn er duidelijke signalen van het publiek nodig om een ​​verbod te eisen.

6. Conclusie
Mancozeb is nog een voorbeeld van het falen van het “bestrijdingsmiddelensysteem”. De stof is goedgekeurd op basis van een zwak en gebrekkig systeem dat de toxiciteit van het bestrijdingsmiddel niet correct beoordeelt. Pas jaren later hebben onafhankelijke onderzoekers de toxiciteit ervan voor mens en milieu aangetoond. Net zoals voor andere bestrijdingsmiddelen hebben ambtenaren van de Europese Commissie en de lidstaten de giftigheid van het product genegeerd en de industriële landbouw gepromoot, ten koste van de gezondheid van de burgers en het milieu. 20 jaar nadat onafhankelijk bewijs van onaanvaardbare schade is gepubliceerd, zullen de Commissie en de lidstaten eindelijk beginnen met de discussie de stof te verbieden.
Vanwege het massale en voortdurende falen van het pesticidetoelatingssysteem, pleit PAN Nederland voor de grootschalige inzet van biologische bestrijding van pathogenen, waar preventie de basis vormt van het landbouwsysteem. Bij de toelating van pesticiden dienen verder alleen stoffen te worden toegelaten waarvan duidelijk is dat ze geen irreversibele receptorbinding vertonen, zodat ze geen accumulerende schade aan de natuur en aan onszelf kunnen veroorzaken. Deze eigenschap dient in de toelatingsprocedures te worden opgenomen en te worden bepaald door instanties die geen financieel belang hebben bij de toelating.